Op 9 februari 1881 wordt in het Zuid-Hollandse Lekkerkerk de jongste zoon van Eduard en Klaartje geboren: Henri. Het is een tijd van verandering. Overal in Nederland doet de industrialisatie zijn intrede en met de opkomst van elektriciteit verandert het dagelijks leven in rap tempo. Gezinnen staan voor een keuze: meegaan met de nieuwe tijd, of vasthouden aan het vertrouwde leven op het platteland.

Voor veel Joodse families in de zogeheten “Mediene” — het platteland — is de keuze duidelijk. Zij trekken naar de stad, op zoek naar betere kansen en een grotere gemeenschap waarin zij hun geloof kunnen beleven.
Ook Eduard Walg hakt die knoop door.
In april 1888 verlaat het gezin Lekkerkerk. De zevenjarige Henri reist mee naar Rotterdam, waar zij zich vestigen aan de Eleanorastraat in de wijk Rubroek, vlak bij het huidige Oostplein. Voor de jonge Henri moet het een wereld van verschil zijn geweest: van een dorpse omgeving naar de drukte van de stad.
Over zijn jeugdjaren in Rotterdam is weinig concreets bekend. Toch laat zijn latere leven zich deels reconstrueren. Vrijwel zeker is dat hij nog enkele jaren onderwijs heeft gevolgd. En gezien de orthodoxe achtergrond van het gezin ligt het voor de hand dat hij daarnaast Hebreeuwse lessen kreeg aan de Israelitische Kostelooze Godsdienstschool. Dat Henri goed kon lezen en schrijven, staat in ieder geval vast.
In 1900 verschijnt Henri opnieuw in de archieven. Ditmaal niet als schooljongen, maar als jongeman in het lotingsregister van de Nationale Militie. Met nummer 503 wordt hij aangewezen voor militaire dienst. De registers geven een klein inkijkje in zijn uiterlijk: Henri is ruim 1 meter 59 lang, heeft een ovaal gezicht, een hoog voorhoofd, zwart haar, bruine ogen en opvallende sproeten.

Waar hij precies diende, is niet met zekerheid vast te stellen. Wel weten we dat hij uiteindelijk terechtkomt bij de Vrijwillige Landstorm.
Na zijn diensttijd begint een nieuw hoofdstuk. In 1911 verhuist Henri naar Den Haag — en dat is geen toeval. De zaken van de familie Walg gaan goed. Zó goed zelfs, dat uitbreiding mogelijk is. Op 15 mei van dat jaar opent een nieuwe winkel haar deuren aan het Spui 164.
Henri krijgt samen met zijn zus Elisabeth de taak om deze vestiging op te zetten. Het blijkt een schot in de roos. De winkel ligt aan de rand van de Joodse wijk en staat onder rabbinaal toezicht van opperrabbijn Van Loen — een belangrijk gegeven voor religieuze klanten. Al snel weet de firma ook in Den Haag een goede naam op te bouwen.
In de beginjaren runnen Henri en Elisabeth de zaak samen, onder het toeziend oog van hun vader Eduard, de pater familias. Maar naarmate de jaren verstrijken, doet hij een stap terug. Rond 1917 treedt Hartog Godschalk in dienst, de man die later met Elisabeth zal trouwen. Geleidelijk draagt Henri de dagelijkse leiding aan hem over.

Zelf kiest hij voor een andere rol, meer op de achtergrond. Hij keert terug naar Rotterdam.
Na het overlijden van Eduard in 1931 volgt een onverwachte wending: de Haagse winkel wordt verkocht aan Nathan Elias Cohen, die de zaak vrijwel direct overdraagt aan zijn zoon Bernard. Waarom deze beslissing wordt genomen, blijft onduidelijk.
Lang duurt het echter niet. Vier jaar later keert de winkel terug in handen van de familie Walg. Opnieuw staan de namen van Jacob en Henri Walg als eigenaren vermeld.
In zijn laatste levensjaren verhuist Henri nog één keer. Hij verlaat de Westewagenstraat en betrekt een woning aan de Meent. Daar woont hij nog iets meer dan een jaar.
Op 10 november 1937 komt zijn leven tot een einde. Twee dagen later wordt Henri Walg begraven op de Israëlitische begraafplaats aan het Toepad.
Hij is 56 jaar geworden.