Jeugd
Na drie zonen wordt de familie Walg op 20 april 1883 opnieuw verblijd met de geboorte van een dochter. Ze krijgt de officiële naam Elizabeth, maar al snel wordt ze door iedereen “Betsy” genoemd.
Inmiddels is het een drukte van belang in het vermoedelijke huisje van de familie Walg aan de Lange Achterweg in Lekkerkerk. Naast de acht gezinsleden wonen er geregeld ook andere mensen in huis. Zo verblijft het dan vijftienjarige nichtje Lena Trijbits er af en toe, evenals de Joodse hulponderwijzer Simon Zwarenstein.
Over Betsy’s eerste levensjaren is vrijwel niets terug te vinden. Wanneer zij met haar familie naar Rotterdam verhuist, is ze vijf jaar oud. Daarna duikt haar naam pas weer in 1911 op in de archieven van de bevolkingsregistratie. Op 12 mei 1911 verlaat zij het ouderlijk huis en verhuist samen met haar broer Henri naar Spui 164, waar zij een tweede vestiging van de Firma Walg gaan opzetten. Tweeënhalf jaar later keert zij terug naar Rotterdam en trekt opnieuw in bij haar vader aan de Westewagenstraat 69.
Huwelijk en gezinsleven
In 1916 komt vanuit het “Hoge Noorden” een jonge man werken en wonen in het winkelhuis van Eduard Walg. Het is Hartog Godschalk uit Uithuizen, Groningen. Deze jongeman groeit later uit tot een belangrijke kracht binnen de Firma Walg én binnen de familie. Want nog geen jaar later, op 12 september 1917, staan Betsy en Hartog onder de choepa in de synagoge aan de Boompjes in Rotterdam.
Na hun huwelijk vestigt het echtpaar zich in Den Haag, waar Hartog bedrijfsleider wordt van de Haagse vestiging van de Firma Walg. Een jaar later worden zij verblijd met de geboorte van een zoon. Hij krijgt de naam David, vernoemd naar de overleden vader van Hartog. Het zal hun enige kind blijven.
Wanneer de winkel in 1924 verhuist van Spui 164 naar Wagenstraat 145 in Den Haag, verhuist het gezin mee. Het pand wordt al snel bewoond door verschillende familieleden van Hartog, die eveneens vanuit Groningen naar de Hofstad zijn verhuisd. Zo wonen Betsy’s schoonmoeder en schoonzus bij hen in huis. Ook neefje Salomon Levie, (achter)nichtje Judith Ellina Ekstein en dienstbode Estera Dörfler krijgen er een kamer. Wat de laatste tijdens de oorlog overkwam, is Op DEZE WEBSITE te lezen.
Nieuwe start
In 1932 wordt het filiaal van de Firma Walg in Den Haag overgenomen door Elias Nathan Cohen en later door diens zoon Bernard Elias Cohen. Betsy en Hartog zijn daardoor genoodzaakt te verhuizen naar de Zwolsestraat 395. Na een jaar verlaten zij ook Scheveningen en vestigen zich in Rijswijk. Daar pakt Hartog het beroep op waarvoor hij, gezien zijn familieachtergrond, is opgeleid: hij wordt slager.
Elizabeth verzorgt in die periode waarschijnlijk haar schoonmoeder Eva Godschalk-van der Hal, die telkens met het gezin meeverhuist. Uiteindelijk overlijdt Eva op 14 april 1936 in Den Haag, een jaar nadat de familie weer naar “het Haagse” is teruggekeerd.
Het gezin woont dan aan de Alberdingk Thijmstraat in de nog in aanbouw zijnde wijk Spoorwijk in Den Haag. In 1937 verhuizen zij naar de Marktweg 31. Deze woning maakt deel uit van een bouwproject van de Joodse woningbouwvereniging “Mischkenoth Israel”, een buurt waar veel Joodse gezinnen wonen. Daar bevinden zij zich waarschijnlijk ook op 10 mei 1940, wanneer de eerste Duitse bommen op Den Haag vallen.
Oorlogsjaren
Nadat de Duitsers zich volledig hebben verkeken op de Slag om Den Haag, wordt op 14 mei 1940 Rotterdam gebombardeerd om het Nederlandse leger alsnog tot overgave te dwingen. Het stadscentrum wordt vrijwel volledig verwoest, waaronder ook het woonhuis van Betsy’s broer Jacob en zijn gezin. Jacobs vrouw en dochter komen daarbij om het leven en van hun woning blijft niets over.
In alle chaos vinden Jacob Walg en zijn gezin tijdelijk onderdak bij zijn schoonzus Saartje Walg en haar man Bernard Bär. In december 1940 trekken Jacob en kinderen Johanna Cateau en Louis Walg vervolgens in bij Elizabeth, Hartog en David aan de Weteringkade 23.
In de eerste maanden van de oorlog merken zij nog relatief weinig van de felle Jodenhaat van de Duitse bezetter. Dat verandert echter snel wanneer de eerste anti-Joodse maatregelen worden ingevoerd en het net zich langzaam sluit rond het gezin Godschalk.
Op 22 oktober 1940 wordt verordening VO 189/40 uitgevaardigd. Deze verplicht Joodse ondernemingen zich aan te melden bij de Wirtschaftsprüfstelle, de instantie die de arisering van het bedrijfsleven moest uitvoeren. Ook het gezin Godschalk moet hun nieuwe onderneming, suikerwerkfabriek Dabe – vernoemd naar David en Elizabeth – aanmelden. Binnen een jaar wordt het fabriekje door de Wirtschaftsprüfstelle geliquideerd. Hun bron van inkomsten verdwijnt en zowel Hartog als David raakt werkloos.
Daar blijft het niet bij. Vanaf begin 1942 worden Joden die steun of een uitkering ontvangen verplicht te werken in werkkampen in het oosten van het land. Vrijwel zeker worden ook Hartog en David rond juni of juli 1942 naar een werkkamp gestuurd. Dit blijkt het voorportaal te zijn van de deportatie en uiteindelijke vernietiging van het gezin Godschalk.
Deportatie en overlijden
Tussen 3 en 5 oktober 1942 worden Hartog en David gedwongen te tekenen voor “vrijwillige arbeid in Duitsland”. Vanuit de werkkampen worden zij overgebracht naar Kamp Westerbork. Tegelijkertijd worden in Den Haag de achtergebleven gezinsleden opgehaald en eveneens naar Westerbork gedeporteerd. Nog geen twee dagen later, op 5 oktober 1942, worden Elizabeth, Hartog en David op transport gesteld naar Auschwitz.
Ongeveer honderd kilometer vóór Auschwitz stopt de trein bij een goederenstation nabij het plaatsje Cosel. Daar worden de mannen tussen ongeveer vijftien en vijfenvijftig jaar oud, mits zij nog in redelijke gezondheid verkeren, met geweld uit de trein gehaald. Het is de laatste keer dat Elizabeth haar man en zoon ziet. Tijd om afscheid te nemen is er niet. Terwijl de mannen op het perron moeten blijven zitten of liggen, rijdt de trein verder naar Auschwitz.
Op 8 oktober 1942 arriveert Elizabeth met de overige gedeporteerden in Auschwitz. Vrijwel direct na aankomst worden zij doorgestuurd naar de gaskamers.
Elizabeth Godschalk-Walg wordt op 8 oktober 1942 vermoord. Zij is 59 jaar oud.
Hartog en David worden na hun selectie in Cosel feitelijk als dwangarbeiders ingezet bij verschillende grote bouwprojecten. Via een reeks werkkampen worden zij steeds verder uitgeput. Hartog wordt uiteindelijk, waarschijnlijk omdat hij te verzwakt is om nog te kunnen werken, alsnog naar Auschwitz gestuurd. Daar overlijdt hij, 54 jaar oud, uiterlijk in december 1944.
David overleeft de kampen, maar komt uiteindelijk vlak voor de bevrijding om tijdens een van de beruchte dodenmarsen. Op 7 februari 1945 sterft hij, slechts 26 jaar oud.
Met hun overlijden komt een einde aan het gezin Godschalk-Walg.