Het is een paar maanden na het controversiële huwelijk tussen koning Willem III en de latere koningin Emma als op 4 juni 1879 in het rustige dorp Lekkerkerk Andries Walg wordt geboren.
Na de geboorten van Hester, Mietje en Jacob is Andries het vierde kind in evenzoveel jaren. Hij wordt vernoemd naar zijn opa Andries Abraham Blok, die het jaar ervoor is overleden.
Andries brengt zijn eerste negen jaar door in Lekkerkerk, uitkijkend over het mooie slagenlandschap van de Krimpenerwaard. Hij speelt tussen boerenkarren en bij het net gebouwde nieuwe raadhuis van Lekkerkerk (nu bekend als “Amicitia”). Of hij daar ook naar school ging, is onbekend; de leerplicht voor 6- tot 12-jarigen werd pas in 1901 ingevoerd. Wel zal hij in de weekenden religieus onderwijs hebben gekregen in de dijksynagoge. De Joodse hulponderwijzer Simon Zwarenstein woonde zelfs een tijd bij het gezin in huis.
Op 10 april 1888 schrijft zijn vader Eduard het gezin Walg in Rotterdam in. Net als vele andere Joden verhuizen ook zij naar de “grote stad”. Rotterdam bood economisch meer kansen voor de ondernemende Eduard. Vooral de aanleg van de Nieuwe Waterweg in 1872 had de stad tot een metropool gemaakt met grote aantrekkingskracht op de Joodse gemeenschap. Het aantal Joden in Rotterdam nam tussen 1870 en 1900 sterk toe.
In Rotterdam moet Andries al snel aan het werk. Hij begint onderaan de ladder. In 1898, wanneer hij wordt opgeroepen voor de Nationale Militie (de voorloper van de dienstplicht), staat hij in de militieregisters geregistreerd als “pakhuisknecht”. Vanwege “gebreken” wordt hij echter vrijgesteld van dienst en kan hij blijven werken.
Op 4 november 1903 treedt Andries in het huwelijk met de dochter van winkelier Mauritz Jacobs en Kaatje Vleeschouwer, die een paar straten verderop woonden in het hart van de Zandstraatbuurt.
Het echtpaar vestigt zich aan de Gedempte Slaak 67 in Rotterdam, waar Andries een modezaak begint. Regelmatig verschijnen er advertenties in de krant waarin om winkelpersoneel wordt gevraagd.
Na een aantal jaren stopt Andries met de herenmodezaak en begint hij samen met compagnon Meier Kats een “handel in kaas in den uitgebreidsten (sic) zin van het woord”. Daarmee treedt hij in de voetsporen van zijn vader en broers. De zaak krijgt de naam “Walg & Co” en is gevestigd aan de Lombardstraat 34/36. Opmerkelijk is dat dit adres in 1937 ook het woonadres wordt van zijn zuster Hester Walg en haar man Meijer Prins. Of zij ook bij de zaak betrokken zijn geweest, is niet bekend.
Walg & Co blijft ongeveer tien jaar bestaan. Op 3 mei 1920 wordt de vennootschap ontbonden en de zaak geliquideerd. In de jaren dertig komt de naam “Walg & Co” nog wel voor in kranten, maar of deze onderneming nog verband houdt met Andries Walg is niet duidelijk.
In 1938 verhuist Andries met zijn vrouw Leentje en twee van hun zes kinderen, Theresia (Trees) en Henri, naar een splinternieuwe bovenwoning in de Nolensstraat, gelegen in de pas aangelegde wijk Blijdorp. Ze zijn inmiddels op leeftijd en hopen hier samen oud te worden.
Het loopt tragisch anders.
Op 14 mei 1940 wordt Rotterdam zwaar gebombardeerd. Het centrum van de stad, waar veel familieleden wonen, wordt volledig verwoest. Een nichtje en schoonzus komen om bij dit bombardement en de zaak die zijn vader had opgebouwd, wordt volledig weggevaagd.
De wijk Blijdorp blijft gespaard, en daarmee ook de woning van Andries en Leentje. Toch verandert alles. Kort na de capitulatie neemt de Duitse bezetter maatregelen om de Joodse bevolking uit te sluiten van het maatschappelijke leven. De ene na de andere anti-Joodse verordening wordt uitgevaardigd. De bewegingsvrijheid van de familie Walg wordt steeds verder ingeperkt. In januari 1941 moeten Andries, Leentje en hun kinderen zich verplicht laten registreren als Joden.
Halverwege 1942 mogen zij vrijwel nergens meer komen: parken, bioscopen, zwembaden, boekwinkels en bibliotheken worden verboden terrein. Vanaf mei 1942 moeten zij een Jodenster dragen. Hun vermogen is dan al geregistreerd en geconfisqueerd door de inmiddels fictieve roofbank “Lippmann, Rosenthal & Co”.
Op 25 juli 1942 wordt zoon Henri opgepakt en opgesloten in de kelder van politiebureau Haagseveer. Volgens zijn arrestantenkaart wordt hij vastgehouden voor de Duitse inlichtingendienst, maar op 30 juli 1942 wordt hij naar doorgangskamp Westerbork gebracht en op 3 augustus gedeporteerd naar Auschwitz. Uiterlijk op 30 september 1942 wordt hij daar vermoord.
Op 29 september volgt de arrestatie van dochter Theresia (Trees). Via Westerbork wordt zij op 19 oktober 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Aangezien haar overlijdensplaats Auschwitz-Monowitz is, is het aannemelijk dat zij de eerste selectie heeft overleefd, maar kort daarna alsnog omkomt door ontbering of geweld. Zij overlijdt op 22 oktober 1942.
Ten tijde van deze gebeurtenissen wonen Andries en Leentje nog steeds in hun woning in de Nolensstraat. Op 2 november 1942 worden ook zij gearresteerd en overgebracht naar de cellen van politiebureau Haagseveer, waar zij vier dagen verblijven. Op 7 november worden zij ingeschreven in kamp Westerbork. Al na een week worden zij op transport gesteld. Op 13 november 1942 worden Andries en Leentje direct na aankomst in Auschwitz vermoord in de gaskamers.
Van hun kinderen overleven er drie de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Maurits, Eduard en Kaatje vestigen zich na de oorlog weer in Rotterdam.